Het verhaal van Sammy (30 jaar)

Levensmotto: Count your blessings (tel je zegeningen)

Beroep: docent voortgezet onderwijs

Hobby’s: sporten, films kijken

Zo omschrijf ik mezelf: gelukkig, liefdevol, tevreden

Tien jaar geleden eindigde het interview met Sammy met de vraag hoe hij zichzelf over 10 jaar zag.

Dit is wat hij zei:

“… over tien jaar woon ik nog steeds in deze omgeving. Ik hoop dat ik een lieve vrouw krijg, die lekker kan koken. Ik wil wel graag kinderen, een zoon en een dochter (haha). Ik hoop dat ik leraar ben en dat ik lol heb in mijn werk. Ik hoop dat ik anders kijk naar kinderen als mijn leraren vroeger. Ik vind dat leraren verder moeten kijken dan hun neus lang is. Bij een brutale mond denken ze niet gauw dat er thuis iets aan de hand zou kunnen zijn. Ze hebben gauw een oordeel klaar.”

Sammy vertelt

Ik ben 30 en ik ben leraar geworden. Het is mijn zevende jaar dat ik les geef en met veel plezier. Ik heb een lieve vriendin, ze is zwanger. We verwachten ons eerste kind deze zomer. Vorig jaar hebben we een huis gekocht. Eigenlijk gaat het prima. We zijn lekker gesetteld. Mijn toekomstdroom van 10 jaar geleden is uitgekomen!

Hoe het verder ging

Ten tijde van het interview, tien jaar geleden, woonde ik bij mijn vader. Ik ondersteunde hem ook financieel. Maar op een gegeven moment trok ik het niet meer in combinatie met mijn studie. Toen moest ik echt kiezen. Ik was heel lang heel loyaal aan hem. Ik werkte 20 uur naast mijn studie. Dat bijbaantje was om hem te onderhouden. Maar toen ik aangaf dat ik die combinatie niet meer trok reageerde hij met “stop maar met school en ga maar fulltime in de fabriek werken”. Toen was ik in één keer wakker. Ik dacht “wát!!” We kregen ruzie. Hij zei “rot maar op”. Ik zei “prima”. Er viel een hele last van mijn schouders en ik dacht nog “ik ben gek dat ik hier blijf.”

De dag erna wilde hij het goed maken maar toen kregen we weer ruzie. Toen was ik er klaar mee. Dat was het laatste contact dat ik met hem had. Na deze escalatie heb ik twee jaar afstand van hem genomen. Niemand lette meer echt op hem. Op een dag was hij dood. De politie zei later dat zijn doodsoorzaak een hartinfarct was door totale verwaarlozing. Het was een zware tijd voor mij.

Mijn zus had in de laatste jaren voor zijn dood wel contact met hem. Ze kwam af en toe langs. Maar ze heeft nooit voor hem gezorgd zoals ik voor hem gezorgd heb. Ze had een eigen leven, een eigen gezin.  Ik heb niet veel contact met haar. Ik heb eigenlijk nooit veel contact met haar gehad. Ze is heel anders dan ik. Toen mijn moeder overleed, ik was toen 8 jaar, gingen we al uit elkaar. We praatten niet met elkaar, op haar 18de ging ze het huis uit. Ik zat daar maar met mijn vader en zij zat op kamers in een andere stad. Ze raakte zwanger en ging samenwonen. Het is niet echt een verwijt maar ik heb wel momenten gehad dat ik dacht: “ik zit hier maar alleen met hem.”

Ik snapte niet dat de rest van de familie, van mijn vaders kant, niets deed. Ze gaven zelfs bier uit het kerstpakket. Die vent is alcoholist en dan geef je hem bier! En wij, als kinderen, zitten ermee. Ik snapte dat allemaal niet. Ik snap het nog steeds niet. Volwassenen namen geen verantwoordelijkheid.

Ik wil ook kind zijn

Als een van je ouders overlijdt dan veranderen de rollen binnen het gezin. Iedereen moet een klein beetje meer doen. Mijn vader werkte overdag en had soms geen tijd om boodschappen te halen. Mijn zus zei altijd “ik ben het kind en hij moet voor mij zorgen.” Dat heeft ze altijd volgehouden. Ze weigerde boodschappen te doen als mijn vader dat niet deed. Ze sloot zich op in haar kamer en at gewoon niets. En ik vond het in het begin niet erg om mijn steentje bij te dragen. Mijn vader dacht: oké, één kind wil wel voor mij zorgen en boodschappen doen. Dan gebruik ik dat kind wel. Dat doen veel verslaafde ouders volgens mij, want ze weten precies bij welk kind ze moeten zijn. Dus ik werd naar binnen geroepen als ik buiten aan het spelen was, om eten te halen bij de snackbar. Ook moest ik als kind soms bier halen bij de Appie voor mijn vader. Dat mijn zus geen boodschappen wilde halen of andere klusjes wilde doen heb ik haar wel verweten. Hallo! Ik ben ook kind en jij bent zelfs ouder dan ik!

De verslavingszorg kan je helpen

Ik vond het fijn om 10 jaar geleden mijn verhaal kwijt te kunnen voor het boek “Het blijven toch je ouders”.  Het boek gebruik ik in mijn lessen op school. Als ik voorlichting geef over alcohol en drugs dan laat ik de leerlingen in groepjes een verhaal lezen. Nooit mijn verhaal want ik ben bang dat ze me herkennen. Daarna mogen ze in groepjes over het verhaal discussiëren. Dan volgt een terugkoppeling aan de hele klas. Ik geef die voorlichting aan de derde klas dus die beginnen vaak net te experimenteren met alcohol. Ik wil dat ze zich realiseren dat elke alcoholist ooit is begonnen met één biertje. Niemand begint vol gas. Hopelijk onthouden ze dit. Soms blijkt dat iemand in de klas geraakt wordt door mijn lessen. Dat had ik van de week nog. Opeens begon iemand keihard te huilen. Dan denk ik wel “tja, ik weet natuurlijk niet van iedereen de thuissituatie.” Pubers zijn zo kwetsbaar. Daarna volgt een gesprek en dan heb je gesignaleerd dat er iets speelt. Dat is goed. Leerlingen die midden in een vervelende periode zitten, leen ik het boek. Ik zeg dan dat ze het eens moeten lezen. Dat ze niet de enige zijn, dat de verslavingszorg ze kan helpen.

Ik heb oog voor leerlingen

Ik ben rustiger geworden. Toen ik 20 was feestte ik er op los. Ik had een wild leven. Nu niet meer. De dingen die ik heb geleerd uit de gesprekken met de hulpverleners, daar heb ik nu nog steeds wat aan. Bijvoorbeeld dat je geen controle hebt over andere mensen. De enige over wie je controle hebt ben jijzelf. Dus concentreer ik me vooral op mijn eigen dingen. Dit zijn tips waar ik dagelijks wat aan heb. Als er dingen gebeuren in mijn leven waarvan ik denk dat ik er geen controle op heb, dan kan ik het ook gemakkelijker naast me neer leggen. Ik sta nu sterker in mijn schoenen.

Naast dat ik rustiger ben geworden heb ik denk ik wel hetzelfde karakter gehouden. Ik was en ben een regelbaasje. Altijd sociaal. Op de basisschool en op de middelbare school kon je niet aan mij zien dat ik problemen thuis had. Dat is ook de reden dat ik leraar ben geworden. Niemand van mijn docenten zag wat aan mij. Niemand vroeg door. Ik probeer nu een zesde zintuig te kweken en goed naar kinderen te kijken. Toen ik zelf leerling was zeiden mijn leraren wel eens in de les “als er wat is, kun je bij de leerlingbegeleiding terecht.” Maar toen dacht ik, prima maar daar ga ik echt niet naar toe! Als een leraar mij in die tijd even na schooltijd bij zich had geroepen en had gevraagd hoe het ging, dan was ik wel het gesprek aangegaan. Dan had ik waarschijnlijk wel gewoon gezegd hoe het thuis ging. Nu ik zelf leraar ben probeer ik er voor mijn leerlingen te zijn. Ik maak gemakkelijk contact, probeer vroegtijdig te signaleren als er iets met een leerling is en luister naar hun verhalen. Bij grote problemen verwijs ik de leerlingen door naar de leerlingbegeleiding.

Dankbaar

Dankbaar is een groot woord. Ik heb best wel een zware jeugd gehad, maar ik ben wel dankbaar dat ik er zo sterk uit ben gekomen. Ik vraag mij soms af: als het allemaal niet zo was geweest, dan was ik waarschijnlijk ook wel gelukkig geweest maar dan had ik bepaalde eigenschappen niet gehad. Ik kan nu heel goed relativeren. Ik maak me niet zo snel druk om dingen. De twee belangrijkste personen in mijn leven heb ik verloren: mijn vader en mijn moeder. Dus wat kan me nog gebeuren.

Soms bots ik met mijn vriendin. Zij heeft een goede jeugd gehad, haar ouders staan onvoorwaardelijk voor haar klaar, haar opleiding werd betaald, ze zeiden “goed gedaan” en ze keken bij sportwedstrijden. Ze kent weinig tegenslagen. Zij weet niet anders maar door mijn jeugd weet ik dat een jeugd ook anders kan zijn. Ik heb geen kind kunnen zijn. Ik heb heel lang moeten óverleven in plaats van léven. Nu leef ik gewoon. Ik begrijp de eenzaamheid die ik soms bij leerlingen zie. Dat je niet begrijpt van een ouder dat hij voor de alcohol kiest, want dat zie je gewoon als kind. Waarom stop je niet voor mij. Ik ben toch je kind.

Als je vader dan toch door blijft drinken en liegen dan voel je je echt nietig. Als kind heb je geen vertrouwen in volwassenen. En als je pa al niet van je houdt, wie houdt er dan wel van je. 

Uniek persoon

Door de verslaving van mijn vader was ik in mijn puberteit altijd op straat. Ik heb gigantisch veel geleerd. Veel levenslessen opgedaan. In het boek “Het blijven toch je ouders” heb ik ook al verteld dat ik geëxperimenteerd heb en tja, daardoor heb ik veel dingen meegemaakt. Ik heb heel veel van één aspect van de wereld gezien, die heel veel andere mensen misschien niet zien. Gelukkig maar, anders wordt het een chaos. Die ervaringen bestaan niet alleen uit het gebruik van alcohol en drugs maar ik was al vroeg zelfstandig en jong volwassen.

Als kind had ik het gevoel dat ik uniek was. Ik wist dat ik problemen had thuis en ik zag dat anderen dat niet hadden. Ik ging voornamelijk om met ouderen. De kinderen van mijn eigen leeftijd waren nog veel te speels. Ik had al volwassen problemen. Ik ging al stappen op m’n 14e. Dat was best vroeg, denk ik. Om dan ook wekelijks te drinken. Ik ging om met een groepje beschadigde kinderen. We hingen elke dag op straat. We hadden het allemaal vervelend thuis en we steunden elkaar. De meeste van hen zijn wel goed terecht gekomen maar ik ken ook nog jongeren die op hun 25e nog geen keuze hebben gemaakt en nog doelloos zijn.  Ze hebben een ander karakter dan ik.

Ik kwam wel zelfverzekerd over als kind maar ik was het totaal niet. Het gevoel van je ouders dat ze er onvoorwaardelijk zijn, geborgenheid geven en zelfvertrouwen, dat heb ik gemist. Ik zette andere mensen gauw op een voetstuk, vrienden of partners. Ik dacht dat mensen me alleen aardig vonden als ik iets voor hen deed. Sommigen ‘vrienden’ hebben daar misbruik van gemaakt.  Dat zogenaamde vrienden me eerst lekker maakten door me overal mee uit te nemen, rondrijden in een BMW enzo maar dan vroegen of ik “klusjes” voor ze wilden doen. Zo kreeg ik het idee: voor wat hoort wat, je krijgt niet zomaar iets. Ik heb echt moeten leren van mezelf te houden, in de spiegel te kijken en te zeggen: je mag er zijn. Ik heb geleerd “nee” te zeggen en mij niet schuldig te voelen dat ik weg ben gegaan bij mijn pa. Nee is ook een antwoord.

Hulpverlenersrol

Op de middelbare school zat ik in de ouderrol en de hulpverlenersrol. Ik voerde thuis veel gesprekken met mijn vader over zijn verslaving, over waar hij mee bezig was, zijn problemen. De verslaving van mijn vader kwam niet door het verlies van mijn moeder maar door wat zijn vader hem had aangedaan. Hij is geestelijk en lichamelijk mishandeld. Daar hadden we gesprekken over. Later kwam daar de huishouding bij, boodschappen halen en rekeningen betalen.

Vroeger was ik bang om gekwetst te worden. Ik was niet gewend om liefde te krijgen en ik was bang dat het zomaar zou kunnen worden afgepakt. Ik heb wel eens een relatie gehad waarin ik de zorgende rol had. Dat was geen goede relatie. Dan word je een soort hulpverlener. Ik ben blij dat ik mijn vriendin heb ontmoet nádat ik hulp van instanties had gehad. Ik zat lekker in mijn vel. Ik was niet afhankelijk van haar. Maar zij was ook niet afhankelijk van mij. Ik heb nog wel even gevraagd of zij misschien beschadigd was maar dat was ze gelukkig niet.

Beschadigde man

Er was geen balans tussen mij en mijn vader. Toen mijn moeder nog leefde, werkte hij en zorgde hij voor het geld. Toen we nog echt klein waren was hij heel leuk met ons, dat kan ik terug zien op foto’s. Maar toen we een eigen mening begonnen te krijgen, kon hij er niet mee omgaan. Toen mochten we hem niet te veel storen en waren we alleen met mijn moeder bezig. Mijn vader is beschadigd door zijn vader. Mijn opa werd wees op zijn negende en heeft in een jappenkamp gezeten. Nu word ik zelf vader. Welke effecten hebben dat op mij? Hoe zal de relatie met mijn kind zijn? Ik houd me maar vast aan het idee dat zij nooit hulp hebben gehad en ik wel. Ik heb de goede stappen gezet. Zonder hulpverlening had ik het niet gered. Bij mij stopt die negatieve cyclus.

Ik ben continu op zoek naar erkenning. Mijn vader zei niet: “ik ben trots op je”. Hij wist niets van mij, van mijn school of wat ook. Hij vroeg nooit wat, wij praatten nooit over hoe het met mij ging. Als we praatten ging het over zijn dingen. Daar ben ik nog wel steeds naar van. Ik merk dat ik ook heel erg op zoek ben naar erkenning op het werk. Maar als ik van iemand erkenning krijg, kan ik er moeilijk mee omgaan. Dan geloof ik het niet omdat ik het niet gewend ben. Ik praat er dan een beetje overheen, ik kan het moeilijk aannemen.

Ik herinner me één keer dat mijn vader zei dat hij trots op me was. Op een verjaardag van familie had de familie op hem in gepraat. Dat hij moest stoppen met drinken en weer iets van zijn leven moest maken. Hij zag het helemaal zitten. We hebben geknuffeld. Dat was de enige keer dat we geknuffeld hebben. Ik had er alle vertrouwen in. Een paar weken later overleed zijn tante en toen begon hij weer aan de alcohol. Maar in dat ene moment voelde ik mij kind. Ik heb het even geproefd en toen was het weer weg. Zo had het moeten zijn.

Het deed me ontzettend pijn dat hij weer ging zuipen. Het was net een hele tijd goed gegaan. Maar ik was het gewoon niet gewend dat alles goed ging. Ik dacht: het gaat vast niet lang goed, er moet een keer wat fout gaan. En ja hoor, dat gebeurde dan ook vaak. Zo verloor ik het vertrouwen. Nu weet ik dat ik kan genieten van kleine dingen en dat doe ik dan ook.

Door de verslaving van mijn vader heb ik geleerd dat als ik ooit psychisch in de problemen kom, dat je dan hulp moet gaan zoeken. Ik zal het er nooit op aan laten komen dat mijn gezin eraan kapot gaat. Gelukkig heb ik positieve ervaringen met de hulpverlening. Ik ben niet bang om erover te praten en ik lees ook boeken over dit onderwerp. Soms als ik even in de put zit, lees ik een stukje uit een boek en dan krijg ik weer houvast.

Loyaliteit

Loyaliteit is een sterk gevoel. Kinderen zullen het altijd voor hun ouders opnemen en vergevend zijn. Naarmate kinderen ouder worden, botst dat met hun eigen gevoel en ideeën. Dan staan ze open voor hulp. Het gevoel loyaliteit is haast niet te omschrijven. Op een gegeven moment realiseerde ik mij dat ik op zoek was naar het gevoel dat bij het woord vader hoort. Ik hield het begrip “vader” in leven. Maar mijn vader is eigenlijk nooit een vader voor mij geweest. Hij was de man die het geld verdiende en hij was de man die ik papa noemde. Toen ik klein was was ik zelfs een beetje bang voor mijn vader. Hij kon zomaar uit zijn slof schieten. Ik heb als kind nooit een gesprek met hem gevoerd. Hij keek niet bij de voetbal. Dat deed mijn moeder altijd. 

Andere mensen stonden ver van mij af. Niemand corrigeerde mij of kon mij corrigeren. Anders liep ik gewoon weg. Mijn ooms probeerden mij te corrigeren. Dan zei ik “prima” en dan zag ik ze een paar dagen niet. Dat hoefde ook niet want het waren mijn ooms. Maar ja, je vader, daar woon je mee samen. Dan is het anders.  Als ik leerlingen en ouders begeleidt dan wil ik ouders soms wel door elkaar schudden. Wakker worden! Zie je niet wat jouw gedrag doet bij je kind. Wat doe je je kind aan. 

Ik leef me goed in, in een kind maar ik vind het nog steeds verschrikkelijk dat er zoveel ellende is. Nu met de crisis, mensen zonder werk, gefrustreerde ouders. Ze grijpen naar de fles en dan denk ik: tja. Ik merk het in mijn mentoraat: spanningen binnen het gezin. Je beschadigt kinderen daar echt mee. Er zitten altijd wel een paar beschadigde kinderen in de klas. En het lijken er elk jaar meer te worden.

Doe- en praatgroep

Het is goed dat er nog steeds doe- en praatgroepen zijn voor jongeren. Een heleboel kinderen redden zich wel en daar heb ik ook lol mee maar voor de kinderen die het niet redden, daar probeer ik het verschil voor te maken. Ook al toon ik maar begrip of begin ik een gesprek. Ik wil dat ze weten dat ze niet de enigen zijn. Ik wil dat ze weten dat ik het ook gered heb. Morgen heb ik een gesprek met een leerling die mijn achtergrond weet. Zij vroeg: “meneer, hoe heeft u het gered?” Toen zei ik dat de hulpverlening mij heeft geholpen. Toen stond ze er voor open. Nu wil ze dat ook proberen.

Over tien jaar…

Ik geloof in een God. Maar dan op mijn manier. Niet op de kerkelijke manier. Ik bid naar een God, Allah of het universum. Voor mij is het allemaal hetzelfde.

Tijdens het bidden ben dankbaar voor elke dag en ik vraag dingen die ik heel graag zou willen. Net als Sinterklaas, haha! Maar het rare is dat ik wel gekregen heb wat ik wil. Ik geloof heilig in de wet van de aantrekkingskracht. Als je dankbaar bent voor wat je hebt mag je alles vragen wat je wilt. Het is niet zo dat ik graag materiële dingen wil. Dat hoef ik helemaal niet. Maar alle wensen van 10 jaar geleden zijn uitgekomen. Een gezin waar ik zielsveel van houd, een huis waar ik me thuis voel en een baan als leraar. Bizar!

Ik ga ervan uit dat wij over tien jaar nog samen zijn. Onze kleine baby is dan al 10! Ik hoop dat we een happy gezin vormen en dat ik een goede vader ben en een goede man voor mijn lieve vriendin. Ik wil alles geven wat ik kan geven. Ik wil goed zijn voor mijn familie, een goede vriend zijn voor mijn vrienden, een goede collega voor mijn collega’s en een goede leraar voor mijn leerlingen. Ik wil gewoon al die verschillende rollen die je in je leven hebt, zo goed mogelijk doen.